Nederlanders staan bekend als een spaarzaam volk, taalkundig
misschien een niet geheel correcte zin, maar het blijft een feit dat we met
zijn allen vorig jaar 328 miljard euro spaargeld op de bank hadden staan.
Deze traditie hebben we door onze ouders met de paplepel
ingegoten gekregen. Vanaf het moment dat we ons eerste zakgeld kregen werd ons
toegefluisterd dat we het vooral niet allemaal uit moesten geven, maar zeker de
helft opzij moesten zetten voor later. Om op alles voorbereid te zijn.
Een dijk van een advies, wie wat bewaard heeft wat. Maar er
zijn inmiddels wel wat zaken fundamenteel veranderd…
Laten we bijvoorbeeld eens kijken naar wat ons spaargeld
opleverde in 1980 en dat vergelijken met de rendementen op spaargeld anno nu.
De rentestanden zoals die waren in 1980 doen ons spaarders
watertanden tegenwoordig. De lange rente stond destijds op 7,1% en de korte
rente op 10,7%. In dat jaar werd zelfs een staatslening uitgegeven met een
rente van 12,75%.
Dit afgezet tegen een inflatie ( koopkrachtvermindering van
de valuta) van 6,51% zorgde ervoor dat de zuurverdiende centjes die je opzij
zette ook daadwerkelijk meer waard werden van jaar tot jaar.
Kort samengevat, de tienduizend gulden die je in januari op
je spaarrekening had staan, was op 31 december gegroeid tot 10.710,- gulden.
Als je dit vervolgens uit had willen geven had je er voor een effectieve waarde
van 10.059,- gulden spullen van kunnen kopen als je corrigeert voor de inflatie
van dat jaar. In de praktijk passen we deze inflatiecorrectie natuurlijk niet
van jaar tot jaar op onze spaarrekening toe. Pas aan het einde van de rit, als
we ten volle geprofiteerd hebben van het rente op rente effect, kijken we wat
we daadwerkelijk aan koopkracht opgebouwd hebben met ons gespaarde vermogen.
Kort gezegd, in die tijd werd je als spaarder dus nog wel
degelijk beloond voor je inspanningen om toch vooral maar iedere maand een
motiverend bedrag opzij te zetten.

Hoe anders is de situatie in het heden. We hebben een
langdurige periode van rentedalingen achter de rug, mede veroorzaakt door
pogingen van de centrale banken om de hardnekkige economische crises in de
diverse werelddelen te bezweren.
Het financiële systeem is globaal geworden, terwijl het in
1980 nog voornamelijk nationaal bepaald werd. De Europese Unie heeft de laatste
restjes financiële zelfstandigheid van nationale economieën weggepoetst en ons
wederzijds afhankelijk gemaakt van het reilen en zeilen in andere
lidstaten, met als ultieme voorbeeld de
gezamenlijke munteenheid, de euro.
In dit artikel laat ik uitgebreide beschouwingen over het huidige financiele stelsel achterwege en
constateren we alleen dat de rente anno 2016 zelfs negatief geworden is.
U leest het goed, banken kunnen geld lenen tegen 0% rente en
de rentevergoeding die financiele instituten krijgen is zelfs negatief. Dit
houd in dat ze geld moeten betalen om hun middelen te stallen. Op die manier
probeert onder meer de Europese Centrale Bank de banken en financials zover te
krijgen om hun geld uit te lenen aan ondernemers en consumenten om zo de
economie weer op gang te krijgen.
Het demotiverende gevolg hiervan voor de noeste spaarder is
dat je dus praktisch geen rente meer krijgt op je spaartegoeden. Het rendement
is volledig verdampt.
Al deze veranderingen leiden tot het volgende plaatje in
onze huidige situatie:
Het rente niveau van de jongste 10 jarige staatslening is
momenteel -0,028% wat dus betekent dat je feitelijk moet betalen om je geld uit
te lenen. Vergeleken met bijvoorbeeld de 12,75% uit 1980 is dit een verschil in
opbrengst van 12,778%. Geen optie dus.
De hoogste spaarrente die je als consument bij een bank kan
krijgen is momenteel 0,8%.
De inflatie, de waardevermindering van je geld, bedraagt dit
jaar 0,21% wat dan wel weer beduidend lager is. Belangrijk verschil als je meer
dan 25.000,- per persoon hebt (regeling 2017) je ook nog eens
vermogensrendementheffing gaat betalen. Deze is in meerdere schalen verdeeld.
De laagste schaal gaat uit van een vermogen van maximaal 100.000,- en bedraagt
dan 2,9%x30%=0,87% over het meerdere van 25.000,- tot 100.000,-
Heb je dus die zelfde 10.000 gulden, voor het gemak even
omgezet naar 10.000 euro, wat eigenlijk ruim 22.000 gulden is.., op je
bankrekening staan terwijl je je vrijstelling voor de vermogensrendementheffing
al overschreden hebt, dan ziet het plaatje er als volgt uit:
Tienduizend euro gedurende 1 jaar op je spaarrekening wordt
10.080,- euro. Wil je dit spenderen dan is de effectieve waarde in koopkracht 10.058,83
Betaal je vermogensrendementheffing dan gaat daar nog eens
87,51 vanaf. Je houd dus 9992,49 over voor inflatiecorrectie.
U leest het goed, aan het einde van het jaar heb je minder
over dan wat je ingelegd hebt.
Sparen levert in dit voorbeeld vandaag de
dag 717,51 per jaar minder op voor het zelfde bedrag en dan rekenen we het feit
niet mee dat je in euro’s eigenlijk meer dan de dubbele waarde ingezet hebt om
dit rendement te behalen. Er is echter een alternatief voor het klassieke sparen in
het ons zo vertrouwde financiële stelsel.
In de volgende posts ga
ik laten zien hoe je op eenvoudige wijze weer een rendement kan
realiseren van minimaal 6% met een mogelijk plafond van 12% per jaar met zeer beperkt risico. Dutch FinTech Assets richt zich hierbij
volledig op het zichzelf razendsnel ontwikkelende nieuwe financiële stelsel
rondom digitale waarden.
Wordt vervolgd!


Reacties
Een reactie posten